De voorzitter van de HGK heeft zijn gedachten rond vrijheid en onvrijheid uitgesproken tijdens de herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië. Vrijheid is ook een geestelijke aangelegenheid die van mensen innerlijke volwassenheid en geestelijke groei vragen. Mensen getuigden daarvan, terwijl zij toch in gevangenschap verkeerden en na de capitulatie van Japan opnieuw in een precaire en zelfs gevaarlijke situatie verkeerden.

Welkom U allen bij deze samenkomst in de Duinzichtkerk bij de herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië. Voor talloze mensen is 15 augustus een moment van een veelheid aan herinneringen en gevoelens. Op de eerste plaats is er dankbaarheid voor de uiteindelijke vrede en bevrijding die na die dag op gang kwamen in Indië en andere landen in Azië na de capitulatie van Japan. Daarnaast is er ook verdriet vanwege de velen die gestorven zijn in de kampen en daarbuiten, de mensen die bij oorlogshandelingen betrokken waren en het leven lieten en de vele burgers die slachtoffer werden van het niets ontziende geweld. Ook de eigen littekens zijn weer voelbaar: de lichamelijke en geestelijke gekwetstheden die vaak zorgvuldig zijn opgeborgen, komen deze dagen weer in alle hevigheid naar boven.

Velen van U hebben eigen herinneringen aan deze verschrikkelijke oorlog. De laatste jaren zijn veel verhalen in het licht geplaatst; eindelijk is er meer ruimte gekomen voor deze herinneringen die levens van veel mensen getekend hebben.

De Haagse Gemeenschap van Kerken wil voorafgaande aan de nationale herdenking op 15 augustus een eigen samenkomst organiseren in samenwerking met de Duinzichtkerkgemeente om te onderstrepen dat herdenken ook een bijdrage is aan de samenleving van vandaag. Bij het denken over wie wij zijn en hoe wij met elkaar samen willen leven, hoort dat we herinneringen delen en waakzaam blijven ten aanzien van de kwaliteit van onze samenleving en onze invulling van wat we vrijheid noemen.

Vandaag staat het begrip vrijheid centraal alsmede het begrip onvrijheid. Wie de geschiedenis van de laatste oorlogsmaanden in Azië en de daarop volgende maanden een beetje kent, weet hoe verwarrend deze waren. Bevrijding was een abstract begrip want er kwamen geen tanks de straat in rollen die de vijandige legers verjoegen. Er was niet zomaar een wisseling van de wacht en het openen van hekken en deuren zodat de gevangenen konden vertrekken en anderen werden opgesloten. Het zal straks blijken in de herinneringen hoe groot de verwarring was en hoe gevaarlijk het leven op straat.

Vrijheid is op het eerste gezicht een heel praktisch begrip: het betekent dat je kunt gaan en staan waar je wilt, dat je de levenskeuzes kunt maken die je wilt maken, de keuzes waarvan je vindt dat ze een bijdrage leveren aan het geluk van jezelf en van anderen die je dierbaar zijn, keuzes waarvan je misschien ook nog vindt dat anderen daar wat aan hebben. Dan heeft vrijheid te maken met bewegingsvrijheid die zowel fysiek is en die ook je levenskeuzes betreft. Het is duidelijk dat oorlog gepaard gaat met het inperken van deze vrijheid. Dat hebben mensen in de kampen aan den lijve ondervinden, maar evenzeer de buitenkampers die op een andere wijze in hun bewegingsvrijheid werden beperkt. Deze inperking van de bewegingsvrijheid werd op 15 augustus niet simpelweg opgeheven omdat in Japan de capitulatie had plaats gevonden. Het bericht van de bevrijding drong slechts mondjesmaat door tot de mensen in Indië, zowel in als buiten de kampen. Er waren signalen waardoor mensen merkten dat er een verandering op handen was. De capitulatie, afgedwongen door de immense vernietigingskracht van de twee verschrikkelijke bommen op Hiroshima en Nagasaki, vond ver weg plaats en moest ter plaatse nog worden gerealiseerd.

De capitulatie gaf ruimte aan andere krachten die een heel andere toekomst voor ogen hadden dan de eerdere machthebbers. Voor de Nederlands-Indische mensen in en buiten de kampen brak een nieuwe tijd van onzekerheid en gevaar aan waarbij ook slachtoffers vielen. Na de vrij heldere verdeling tussen vriend en vijand tijdens de oorlog werden nieuwe scheidslijnen opgetrokken met nieuwe coalities en vijandschappen. Nieuwe onvrijheid ontstond.

Vrijheid is ook een geestelijke toestand. In de kampen was er ook een vrijheid die innerlijk werd beleefd en vastgehouden. De betrokkenheid op het vaderland, het koesteren van de verborgen Nederlandse vlag en het zingen van een lied, het kracht putten uit geloof en gebed waren wegen om innerlijk te ontsnappen aan terreur en onderdrukking. Gedachten kan niemand je opleggen of afnemen. In het innerlijk domein is de mens zichzelf en is hij vrij.

Wanneer in augustus 1945 duidelijk wordt dat er een capitulatie is geweest, is de verwachting dat deze innerlijke vrijheid weer voor de dag kan komen en in spreken en daden tot uiting kan komen. De wereld was echter veranderd, mensen waren veranderd. Andere posities werden ingenomen en nieuwe verhoudingen bepaalden het leven van mensen. Uit andere hoeken kwamen vijandschappen te voorschijn en bescherming werd gezocht bij vroegere vijanden. Verwarrende ervaringen dus, die mensen heel sterk hebben bepaald in hun verdere leven.

Een samenleving bouwen waar vrijheid de basis is, vraagt innerlijke volwassenheid en geestelijke groei. Het vraagt om nieuwe verbintenissen te maken en handen te reiken over grenzen en herinneringen heen. We nemen oude herinneringen niet zomaar voor lief en laten ons niet daardoor bepalen, anders zijn we nog niet vrij. In dat teken staat deze samenkomst, niet om ons terug te trekken in het verleden of om oude vijandschappen te koesteren. Integendeel, om werkelijke vrijheid te vinden – te beginnen in ons eigen innerlijk – opdat ook onze samenleving en de samenleving van de toekomst deze vrijheid kennen, zowel innerlijk als daadwerkelijk.